Waarschijnlijk heeft u zich ook wel eens verbaasd over het gegeven dat er in 1968 een door experts bemand en tot 2014 actief Research Project is opgetuigd om de "echte" - de eigenhandige - Rembrandts eindelijk eens van de vele valse, door leerlingen en navolgers gewrochte werken, te scheiden. Veertig jaar onderzoek en nóg is men het over een aantal schilderijen niet eens. Terwijl je een Jan Steen al op kilometers afstand als een echte Jan Steen herkent en een kopie of pastiche onmiddellijk als zodanig door de mand valt.

De bijna religieuze adoratie van Rembrandt heb ik nooit zo begrepen. Hij is natuurlijk een zeer kundig en serieus portretschilder die types die een paar duiten hebben stuk te gooien alle eer aandoet. Wat niet wegneemt dat het volk op veel van zijn (historie)schilderijen er naar mijn idee uit ziet als acteurs van het amateurtoneel die de kostuums waarin ze zich mogen hullen belangrijker vinden dan hun acteertalent. (Ik denk aan zijn Vaandeldrager, een uit Asterix weggelopen vechtjas in zijn zondagse pak en met zijn in mede en everzwijnsoep gedrenkte druipsnor die duidelijk niet kan wachten tot hij weer naar de kroeg mag.)

Dan heb ik toch meer affiniteit met Jan Steen, die heeft prachtige schilderijen gemaakt waarbij ook de verkleedkist van zolder werd gehaald maar zijn acteurs hebben karakter, talent en zichtbaar plezier in hun werk. Toch is hij zelfs in zijn historiestukken vooral de schilder van het uiterst realistisch opgetekende alledaagse gehannes. Je ontdekt op zijn schilderijen altijd wel iemand die je ergens van meent te kennen. Of je realiseert je met een schok: Verrek, dat ben ik!..

Misschien dat ik daarom ooit De Bestolen Vioolspeler - Het origineel hangt sinds een paar jaar in de Lakenhal te Leiden - gekopieerd heb. (En vanwege de herkenbare situatie natuurlijk. Of je nu viool of gitaar speelt, als muzikant blijf je bijzonder vatbaar voor vleierij en geloof je een aardige dame maar al te graag als ze zegt dat ze je muziek prachtig vindt. Dat ze ondertussen je beurs leeghaalt, het zal wel. Van die paar stuivers die een muzikant doorgaans te makken heeft gaan we na een geslaagd optreden mét after party niet wakker liggen.)

De techniek van Jan Steen bevalt me ook een stuk beter dan die van de eerste bewoner van het Rembrandthuis. Steen heeft terecht maling aan wat Cornelis le Mair ergens in een van zijn zeer lezenswaardige boeken enthousiast een verffestijn noemt. Steen laat gewoon de punt van zijn penseel het werk doen, het gaat tenslotte niet om de verf zelf maar om wat je er mee oproept. Want staat er niet ergens in het grote schilderboek geschreven dat een schilderij pas geslaagd is als je vergeet dat het maar een beetje verf is?

Wat perspectief betreft laat de Leidenaar wel eens een steek vallen maar zijn stofuitdrukking is fabelachtig. Ook de hedendaagste stillevenschilder zou eens wat werk van Steen moeten bestuderen. Van de achteloze vanzelfsprekendheid waarmee hij de meest uiteenlopende voorwerpen schildert kan hij/zij nog aardig wat opsteken.

Maar wat me het meest voor hem inneemt, er valt bij Steen regelmatig wat te lachen. Naast de vele (licht) ontspoorde kinderen ontmoeten we een eindeloze stoet dwazen, zuiplappen, zelfingenomen praatjesmakers, kijvende wijven, oplichters, kunstenaars, onnozelaars en overig gespuis die - net als in werkelijkheid - een groot deel van de laaglandse bevolking uitmaakt. En die uiterst smakelijk wordt opgediend.