Van alle vreemde eenden in mijn bijt - waar volgens sommigen alléén maar vreemde eenden in ronddobberen - is de hier onder afgebeelde eend misschien wel de vreemdste vreemde eend. 

Op het eerste gezicht valt hij misschien niet eens uit de toon, maar ik vermoed dat een beetje kunstkenner al snel door heeft dat ik een en ander niet zelf heb bedacht. Dat het hier om een - nogal vrije - interpretatie gaat van een detail uit een schilderij van Jheronimus Bosch. Een grisaille, geschilderd op een van de twee overgeleverde zijluiken van wat ooit een triptiek zal zijn geweest. Ondanks dat de tand des tijds er nogal wat van afgeknabbeld heeft behoren die twee luiken wat mij betreft tot de meest fascinerende schilderijen uit de collectie van Boijmans.

Toen dat museum nog bestond tenminste. 

Uit mezelf zou ik er waarschijnlijk nooit aan begonnen zijn maar vele jaren geleden alweer stond er iemand op de stoep die ooit ergens een schilderij van me gezien had. Omdat hij toevallig in de buurt moest zijn kwam hij eens kijken of ik misschien iets had staan of hangen waarvan hij nu nog niet wist dat hij het hebben wilde. 

Hij struinde een tijdje rond in mijn magazijn maar op veel enthousiasme liet hij zich niet betrappen. Hij wilde wel toegeven dat ik aardig kon schilderen maar uiteindelijk vond hij mijn werk nogal braaf en van weinig fantasie getuigen. Daar keek ik van op natuurlijk, maar toen hij een stukgelezen kunsttijdschrift uit zijn zak viste, met daarin o.a. een afbeelding van het paneel uit Rotterdam (volgens een bijschrift een impressie van “De Kwade Wereld”) kon ik het alleen maar met ‘m eens zijn: Vergeleken met Jheronimus Bosch is natuurlijk iedere kunstschilder een fantasieloze saaimans.

Hij stelde voor dat ik iets in de geest van dat zijluik zou maken. Het moest echter ook weer geen regelrechte kopie worden. Eerder een schilderij geïnspireerd op de bizarre fantasieën van de oude meester, maar dan op mijn manier geschilderd. Het duizelde me even, maar omdat de strop van de bijstand al een tijdje pesterig en gevaarlijk dicht voor mijn neus bungelde en een handvol harde dukaten meer dan welkom zou zijn ben ik, niet eens met veel tegenzin - al lang blij dat hij geen winterlandschap of iets met koeien wilde - op zijn verzoek ingegaan. Tenslotte krijg je niet iedere dag de kans om een werk van Jheronimus Bosch te “verbeteren”. (Dat zegt iemand die ook wel weet dat zijn hele oeuvre niet in de schaduw kan staan van één vierkante centimeter van het originele paneel.)

Ik heb er met plezier aan gewerkt, en het eindresultaat viel in goede aarde, ondanks dat het uiteindelijk toch meer een AvB is geworden dan een JB.