wacht maar tot ik groot ben
Tijdens een uitstapje naar Antwerpen - eind jaren tachtig - kocht mijn toenmalige vriendin voor een paar frank een beeldje van een putto op een rommelmarkt. Het kreeg ondanks de diverse beschadigingen een ereplaats op het antieke dressoir. Waar het al een tijdje stof stond te vergaren toen ik op het idee kwam ook eens een - schilderkunstig - uitstapje te maken.
“Wacht maar tot ik groot ben” is de eerste en tot nu toe enige keer dat ik me aan een stilleven heb gewaagd. Hoewel ik een goed geschilderd stilleven zeker kan waarderen geef ik als kunstschilder de voorkeur aan schilderijen vol luidruchtig en uitbundig leven.
Begin jaren negentig verscheen er een artikel over mijn werk in een tijdschrift (Tekenen & Schilderen, bestaat al lang niet meer) met tussen de afbeeldingen van recente schilderijen waar niemand belangstelling voor had ook een afbeelding van “Wacht maar tot ik groot ben”. Dat schilderij deed kennelijk een snaar trillen want in de dagen na het verschijnen meldden zich diverse potentiële kopers. Maar die vonden het uiteindelijk óf te duur - de gedachte dat een kunstschilder voor zijn geploeter ook eens een grijpstuiver opstrijkt was, en is, voor velen onverteerbaar - óf in het echt tegenvallen: Te groot, te klein, te weinig blauw. Er kwam ook iemand kijken die de gevraagde prijs wel wilde betalen maar dan moest ik eerst even die pin-up weg schilderen en vervangen door een bos tulpen o.i.d. Daar had ik natuurlijk geen zin in, dan blijf je aan de gang. Mijn voorstel dat de koper na aanschaf het schilderij zelf zou aanpassen, hij mocht mijn schilderkist wel even lenen, viel niet in goede aarde.
Al dat gezeur heeft me op het idee gebracht mijn eigen schilderij te persifleren - zie afbeelding - dat ik ook voor dit werkje de handen niet op elkaar kreeg zal niemand verbazen. Maar het luchtte wel op…
